bordenmeisje


Het Bordenmeisje...

...met machtig mooie partijen, interviews en verhalen van GM's en IM's 'all over the world'! Aflevering 7 (internationaal)

Samengesteld door Gerard de Winter, toegevoegd op 5-6-2016


breaking news

Spaanse schone Dafnae Lorena Trujillo Delgado is ons bordenmeisje!!

Toen ik weer eens was gaan struinen op internet - voor notabene heel iets anders! - kwam ik haar plots tegen. Een buitengewoon aangename verrassing en eerlijkheidshalve nooit op gerekend.
Dafnae Lorena Trujillo Delgado (elo 2243) is ons bordenmeisje! Ze werd geboren op 13 juni 1983 op Tenerife (Canarische eilanden).

bordenmeisje

Ze is in Spanje bekend vanwege haar schoonheid, ... en daar zijn wij met z'n allen in Zeeland en ook de verre omstreken al achter gekomen, maar ook "for her chess skills"! En die vaardigheden achter het schaakbord laat ze ons zien in een partij bij een Europees teamkampioenschap, gespeeld op het Griekse Kreta. Trujillo Delgado is haar dubbele achternaam. Op onderstaande foto's is goed te zien dat kleine meisjes en/of jonge bordenmeisjes 'groot' worden.

Wit: Argiri Varveraki 
Zwart: Dafnae Trujillo Delgado 
European Team Chess Championships, Creta, 2007

bordenmeisje

Dafnae Lorena Trujillo Delgado

"Het denken van den Schaker"

Adrianus Dingeman de Groot (Santpoort, 26 oktober 1914 - Schiermonnikoog, 14 augustus 2006) was een Nederlands psycholoog, die werkte aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar toegepaste psychologie van 1950 tot 1965 en hoogleraar grondslagen en methodenleer van de sociale wetenschappen van 1965 tot 1980. Nationaal is hij bekend geworden als grondlegger van de Cito-toets en als auteur van het standaardwerk Methodologie uit 1961, dat studenten en onderzoekers een samenhangend kader bood voor het hele proces van wetenschappelijk onderzoek, van theorievorming tot interpretatie van resultaten.

Internationaal is hij vooral bekend door zijn baanbrekend onderzoek naar het Denken van de schaker uit 1946. De vertaling verscheen op aanraden van de latere Nobelprijswinnaar Herbert Simon in 1965 als Thought and choice in chess. Dit werk stond in de Verenigde Staten aan de basis van de zogenaamde cognitieve revolutie in de psychologie. De Groot wordt beschouwd als één van de belangrijkste Nederlands psychologen van de 20e eeuw.

De Denker

"De Denker" van Auguste Rodin

In 1914 werd Adriaan de Groot geboren in een gezin met twee broers en twee zussen in Santpoort, waar zijn vader een drukke huisartspraktijk had. Van huis uit was het gezin Nederlands-hervormd. Zijn moeder had een sterke psychische intuïtie en zou Adriaans interesse wekken in psychologie. Zijn vader was meer de huisfilosoof. In 1926 ging Adriaan naar het Kennemer Lyceum in Overveen, waar hij onder andere biologieles kreeg van Jac. P. Thijsse. Hij was al op jonge leeftijd een goed schaker en in zijn jeugd klom hij op tot de beste schakers van Nederland. Ook op latere leeftijd bleef De Groot schaken: zo won hij in 1968 de 28e editie van het Daniël Noteboom-toernooi in Leiden.

Van kinds af aan heeft hij geaarzeld tussen de muziek en de wetenschap. Bij zijn eindexamen in 1932 stond hij voor de moeilijke keuze wat hij zou gaan studeren: klassieke muziek, filosofie, psychologie, geneeskunde - zoals zijn vader hem suggereerde - of didactiek.

De Molenstraat

Molenstraat, Santpoort (1965)

Studietijd in Amsterdam
In 1932 begon De Groot met de studie wiskunde en natuurkunde aan de Gemeente Universiteit van Amsterdam, tegenwoordig de Universiteit van Amsterdam. Die tijd was goed voor zijn algemeen wetenschappelijke vorming, stelde hij later zelf. Die vorming kwam met name van de universiteitsdocenten in de exacte vakken, en in het bijzonder van prof. Gerrit Mannoury en prof. dr. Jacob Clay. Sociaal wilde het niet zo vlotten bij wiskunde, en tot z'n kandidaats bracht hij daarom de meeste vrije tijd door met bridgen en schaken. In 1937 werd hij schaakkampioen van Amsterdam, en in 1939 maakte hij deel uit van het schaakteam dat Nederland vertegenwoordigde op de Olympiade te Buenos Aires.

Cum laude
In de zomer van 1934 volgde De Groot lessen op de Internationale School voor Wijsbegeerte in Amersfoort, onder andere bij de socioloog Karl Mannheim en de psychologen Alfred Adler, Karl Bühler en Carl Gustav Jung. Na zijn kandidaats wiskunde stapte hij op de Universiteit van Amsterdam over naar psychologie. Hier was hij vooral geïnteresseerd in de denkpsychologie, de alfa-aspecten van het vak. In 1941 deed hij doctoraalexamen en slaagde hij cum laude.

Promotie over "Het denken van den schaker"
In 1946 promoveerde De Groot cum laude tot doctor in de Wis- en Natuurkunde op het proefschrift "Het denken van den schaker". Dit werk, later in het Engels verschenen onder de titel "Thought and choice in chess", zou hem wereldfaam bezorgen, mede door de enthousiaste ontvangst van de latere Nobelprijswinnaar Herbert Simon, die speciaal hiervoor Nederlands leerde. De Groot promoveerde bij prof. dr. Géza Révész en werd ook door Nederlandse meesters als Max Euwe, Hans Kmoch en Nicolaas Cortlever met raad en daad terzijde gestaan.

Zijn proefschrift was geïnspireerd door het werk van de denkpsycholoog Otto Selz en onderzocht de denkprocessen die optreden bij het schaken, onder andere bij Max Euwe. Hij onderzocht het geheugen van de schaakgrootmeesters en gemiddelde clubschakers, slechts gebruik makend van een schaakbord en schaakklok. In een experiment zette hij een gangbare schaakstelling op het bord, en liet deze vijf seconden bekijken door beide spelers, waarna beiden de stelling moesten reconstrueren.

Hetzelfde deed hij met een stelling waar de stukken willekeurig op het bord geplaatst waren. De grootmeesters reconstrueerden de schaakstelling veel beter, maar de randomstelling met een zelfde foutenmarge als de clubschakers. Uit gelijksoortige experimenten concludeerde De Groot dat de cognitieve vaardigheden van de grootmeesters er vooral uit bestond, dat zij schaakstellingen beter konden bevatten als georganiseerd geheel, dan als een verzameling van losse schaakstukken.
De Groots proefschrift zou in de Verenigde Staten aan de basis staan van de zogenaamde cognitieve revolutie in de psychologie.

De Groot

A.D. de Groot: "Het denken van den schaker"

Werk
De Groot was een zeer veelzijdig man. In zijn werk heeft De Groot zich op drie gebieden gemanifesteerd: de cognitieve psychologie, de methodeleer van de sociale wetenschap en de onderwijskunde. Op al deze gebieden heeft De Groot baanbrekend werk verricht. In het land van de alfa's is, volgens De Humanist (2006), A.D. de Groot echter een vreemde eend in de bijt gebleven. Voor hem was psychologie geen slap gelul in oeverloze therapieën, maar een vak dat slechts kan bestaan bij de gratie van harde cijfers en statistieken. Dat hij talent had voor wiskunde heeft aan die opvatting ongetwijfeld bijgedragen. Maar De Groot had een wijde belangstelling, die veel verder ging dan de theorie. Als een van de eersten in Nederland werd hij gegrepen door de logisch-positivistische ideeën van de Wiener Kreis, en misschien is hij ook wel de eerste Nederlander, die Karl Popper heeft ontmoet.

Volgens Vittorio Busato was een wezenlijk uitgangspunt van De Groot de opvatting dat psychologen zich niet moeten beperken tot vrije speculatie - niet ongebruikelijk tot halverwege de 20e eeuw in de psychologie -, maar dat ze beweringen moeten staven. De ideeën daarover zette hij uiteen in de klassieker Methodologie. Hele generaties studenten sociale wetenschappen in Nederland zijn opgevoed met zijn empirische cyclus: observatie, inductie, deductie, toetsen, evaluatie.

Een andere belangrijke bijdrage was zijn werk op het gebied van selectie en beoordeling in het onderwijs. Dat moet volgens De Groot niet te veel aan leraren worden overgelaten. Objectieve tests geven een beter oordeel. Die ideeën uitte hij in een wetenschappelijke uitgave, die wederom een bestseller werd: Vijven en zessen. Daarin liet hij zien hoe onzuiver cijfers en oordelen van leraren vaak zijn, en pleitte hij voor de oprichting van een Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling. Het CITO werd niet veel later opgericht. De Groot mag zich dus geestelijk vader van de Cito-toets noemen.

Het denken van den schaker
In zijn promotieonderzoek betreffende "het denken van den schaker" (1946) werkte De Groot met de probleemstelling dat de psychologische zijde van het (schaak)spel een nog vrijwel onontgonnen gebied was gebleven. De schaakliteratuur was voor het grootste deel zuiver technisch georiënteerd: het ging om de partij en niet om de speler en zijn denkwijze. Over hun innerlijke ontwikkeling waren slechts spaarzame mededelingen te vinden "(...) en over de vraag hoe hun prestaties tot stand kwamen en waarop hun bekwaamheid berustte, heeft men zich eerst recht niet het hoofd gebroken."

In de psychologische vakliteratuur vond men volgens De Groot slechts enkele geschriften, die zich met de psychologie van het schaakspel bezighielden. Een eerste werkje, dat problemen op dit gebied behandelde, was het boek van de Franse pionier van het intelligentieonderzoek, Alfred Binet "Psychologie des grands calculateurs et joueurs d'échecs" uit 1894.

Hij kwam tot de conclusie dat het vermogen om blind te spelen op drie fundamentele condities berustte: kennis en ervaring op schaakgebied (l'érudition); voorstellingsvermogen (l'imagination); en geheugen (la mémoire) - De Groot 1946, p. 2-3 -. Henri Bergson die een in 1902 verschenen artikel aan Binets resultaten wijdde, was veel instructiever. Bergson haalde het beroepsgeheugen van de schaker aan als voorbeeld van de werkzaamheid van een "schéma dynamique". Daaronder verstond hij een schematische representatie van een voorstellingscomplex, die zelf niet zozeer aanschouwelijk is, als wel ontwikkelbaar in aanschouwelijke voorstellingen.

Van een dergelijk schema van het geheel gaat volgens Bergson iedere inspanningvergende denkoperatie uit - een opvatting, die de latere denkpsychologie vrijwel geheel heeft bevestigd (De Groot 1946, p. 4-5). Om tot een systematische analyse te komen heeft De Groot zich bediend van een gesloten psychologische theorie van het denken in het algemeen. De enige die - naast de verouderde associatietheorie - hiervoor in aanmerking kwam, was de denkpsychologie van Otto Selz (De Groot 1946, p. 10).

In zijn experiment moesten zowel grootmeesters als amateurschakers naar een schaakpositie kijken, en hun gedachten hardop uitspreken, terwijl De Groot deze opnam. Een opmerkelijke bevinding was dat bij grootmeesters de bepaling van de volgende zetten al in de eerste paar seconden van de reflectie plaatsvindt. De Groot definieerde hierdoor vier fases van het denkproces:
De oriëntatiefase - hier bevatten sterke schakers de stelling en formuleren een algemeen idee van de te vervolgen weg.
De exploratiefase - die is gekarakteriseerd door de analyse van concrete variaties.
De onderzoeksfase - hier besluiten sterke spelers hun mogelijk beste zet.
De testfase - waarbij de validiteit van de in de derde stap gemaakte keuze wordt heroverwogen.
Interessant genoeg bleek dat grootmeesters en amateurs niet substantieel verschilden in het aantal onderzochte alternatieven, of het aantal zetten dat vooruitgedacht werd. Wel bleken grootmeesters vrijwel altijd wat achteraf de beste zetten waren in hun overpeinzingen mee te nemen, terwijl amateurschakers deze objectief beste zetten regelmatig over het hoofd zagen.
De Groot besteedde bijzondere aandacht aan de rol van geheugen en visuele perceptie in deze processen, en hoe grootmeesters hun ervaring gebruikten om afgelopen en mogelijke stellingen af te tasten.

Herbert Simon was erg te spreken over dit werk. Hij hield zich bezig met de vraag hoe het vermogen van mensen om problemen op te lossen bestudeerd en beschreven kan worden. Hij probeerde computerprogramma's te schrijven om dit menselijk vermogen te simuleren. In het onderzoek van De Groot zag Simon een bevestiging van zijn idee dat het oplossen van problemen vooral beschreven kan worden als een zoekproces, waarbij men gebruikmaakt van analyses in termen van doelen en middelen.

Dublin 1954

Dublin 1954. Tóstal Festival (een lentefestival met kunst, cultuur en sport). Hier een foto van de deelnemers van het schaaktoernooi. Achter het bord, links Jan Hein Donner en rechts de veelvuldige Belgisch kampioen Alberic O'Kelly de Galway.

Wit: Adrianus Dingeman De Groot 
Zwart: Alberic O'Kelly de Galway 
Hoogoventoernooi, Beverwijk, 1946

Uit het Jong tegen oud (Experience) toernooi te Amsterdam in 2006 een mooi scherp potje tussen de Serviër Ljubojevic en het toenmalige jonge Nederlands talent Jan Smeets.

Wit: Ljubomir Ljubojevic 
Zwart: Jan Smeets 
Jong tegen oud toernooi, Amsterdam, 2006

Uit een vakantietoernooitje in het Spaanse Las Palmas een spannende partij tussen de Duitser Eric Lobron en onze landgenoot John van der Wiel.

Lobron en van der Wiel

2002. Links Eric Lobron en John van der Wiel

Wit: Eric Lobron 
Zwart: John van der Wiel 
Las Palmas, 1996

1996. Twee partijen uit het befaamde Groningse 'Koop Tjuchem toernooi' in 1996. Het toernooi werd gewonnen door de Engelsman Nigel Short (7 uit 11) met een half punt daarachter Jan Timman en de Russische Israeliër Boris Gelfand. Opmerkelijk in de eindrangschikking is het feit dat er tussen de nummer 4 (Leko) en de nummer 12 (Korchnoi) slechts 1½ punt bestaat.

Wit: Ivan Sokolov 
Zwart: Nigel Short 
Koop Tjuchem, Groningen, 1996

Leko

De perfecte gentleman: Peter Leko.

Wit: Jan Timman 
Zwart: Peter Leko 
Koop Tjuchem, Groningen, 1996

In de play-offs meesterklasse 1998 twee partijen uit de finalematch Panfox-HSG (6-4). Gurevich wint met wat geluk van Ljubojevic en daarnaast is ook de pot Conquest-Douven wel interessant.

Gurevich

GM Michail Gurevich, van geboorteland Oekraïne via België naar Turkije.

Wit: Michail Gurevich 
Zwart: Ljubomir Ljubojevic 
Meesterklasse Play-offs, Breda, 1998

Conquest

De Britse grootmeester Stuart Conquest

Wit: Stewart Conquest 
Zwart: Rudy Douven 
Meesterklasse Play-offs, Breda, 1998

Piket

NK 1992. Op de foto een nog heel jonge Jeroen Piket.

1996. In een heel sterk veld met o.a. Karpov, Shirov, Van Wely, Leko en Adams wint Jeroen Piket samen met de Israëliër Boris Gelfand het Tilburgse Fontys-toernooi. 7 punten uit 11 partijen was daar voor nodig. Opmerkenswaardig is dat er tussen de nummer(s) 1 en de als laatste geëindigde Judith Polgar maar 3 punten verschil zit. Hier een m.i. zeer fraaie overwinning van Piket op de nummer drie in de eindrangschikking (6½ uit 11), de in Spanje woonachtige Let Alexei Shirov.

Wit: Jeroen Piket 
Zwart: Alexei Shirov 
Fontys-toernooi, Tilburg, 1996

De Donner Memorial werd georganiseerd in 1995 te Amsterdam, met als gedeelde winnaars Peruaan Granda Zuniga en Jan Timman (7½ uit 11) en in 1996 door de Oekrainer Vassily Ivantsjoek en wederom Granda Zuniga met 7 uit 11. De volgende 3 partijen (1996) zijn van Granda; 2 nederlagen en 1 winst. Ook zijn nederlagen waren zeer interessante ontmoetingen. Hier komen ze: Adianto (Indonesië) - Granda Zuniga; Hodgson (Engeland) - Granda en Granda - Van Wely.

Wit: Utut Adianto 
Zwart: Julio Granda Zuniga 
Donner Memorial, Amsterdam, 1996

Granda Zuniga

Julio Granda Zuniga

Wit: Julian  Hodgson 
Zwart: Julio Granda Zuniga 
Donner Memorial, Amsterdam, 1996

Hodgson

Wit: Julio Granda Zuniga 
Zwart: Loek van Wely 
Donner Memorial, Amsterdam, 1996

Linares

Palace of Linares (Spanje).

In een van de vele toernooien in het Spaanse Linares - in 1998 - een scherp potje van twee spelers die er voor gaan. Met wit de Spaanse Let Alexei Shirov en met zwart de nogal vlot in het Engels babbelende Rus Peter Svidler.

Wit: Alexei Shirov 
Zwart: Peter Svidler 
Linares, 1998

Dos Hermanas

Het schitterende treinstation van Dos Hermanas (vlakbij Sevilla, Zuid Spanje).

Een gewonnen staande partij remise geven omdat je denkt dat het niet te winnen is. Dit overkomt de Rus Peter Svidler in het toernooi van Dos Hermanas (1999) in een boeiend gevecht tegen de Indiër Viswanathan Anand.

Wit: Peter Svidler 
Zwart: Viswanathan Anand 
Dos Hermanas, 1999

Ananad

Anand, hier met zijn vrouw Aruna: goed weggekomen met blauw remiseoog!

Hoogovenstoernooi 1997. In Wijk aan Zee. Met wit, Pedrag Nikolic en met zwart Jeroen Piket. Interessante pot. Naspelen maar.

Wit: Pedrag Nikolic 
Zwart: Jeroen Piket 
Hoogovenstoernooi, Wijk aan Zee, 1997

Stefansson

Hannes Stefansson in 2008

De IJslandse grootmeester Hannes Stefansson komt in de 8e ronde van het Lost Boystoernooi in 1998 te Antwerpen tegen Jeroen Piket met een super verrassende 18e zet. Piket zal wellicht gedacht hebben: dit moet mij weer overkomen. Vaak komt hetzelfde thema hier naar voren, als het centrum open gaat moet je al gerokeerd hebben. Anders kom je meestal onherroepelijk in de problemen.

Wit: Hannes Stefansson 
Zwart: Jeroen Piket 
Lost Boystoernooi, Antwerpen, 1998

Stefansson wint het toernnooi met 7½ uit 9. Gedeeld 2e t/m 4e zien we Azmaiparashvilli (Georgië), Rafaell Leitao (Brazilië) en Jeroen Piket met 7 punten. Gedeeld 5e t/m 11e Boris Avrukh (Israël), Loek Van Wely, Raj Tischbierek (Duitsland), Dimitri Reinderman, Ivan Sokolov, Olafsson (IJsland) en Dan Zoler (Israël) met 6½ punten. Met 6 punten o.a. Michael Gurevich (toen Belg), Erik van den Doel en Arthur Kogan (Israël). Misschien wel de beste partij speelde Stefansson tegen Van den Doel.

Wit: Hannes Stefansson 
Zwart: Erik van den Doel 
Lost Boystoernooi, Antwerpen, 1998

Als afsluiter in deze nogal serieuze Bordenmeisjeaflevering een partij van 2 jonggestorven grootmeesters. Anthony Miles, een Britse GM die ook veel in Nederland heeft gespeeld werd slechts 46 jaar. Nog eerder overleed de Spanjaard Garcia Ilundain. Hij werd maar 31 jaar.

Miles vs Kasparov

Miles hier in een tweekamp tegen Kasparov.

In hun treffen uit het Zonetoernooi te Andorra in 1998 leek de met wit spelende Spanjaard in de eerste ronde in een beetje vreemde partij op de overwinning af te stevenen. En toen brak de tijdnoodfase aan. En dan kunnen de bordjes plots verhangen worden.

Wit: David Garcia Ilundain 
Zwart: Anthony Miles 
Zonetoernooi, Andorra, 1998

Schaakkunst